Glossarium

Asepsis

Een methode om besmettelijke ziekten te voorkomen door te beletten dat microben in het organisme binnendringen (bijvoorbeeld de microbiologische besmetting van een operatiekamer voorkomen).

Aceton

Een zuur dat ontstaat door de omzetting van vetten in het organisme. Normaal wordt het via de nieren met de urine uitgescheiden, maar het kan zich in het lichaam opstapelen en het bloed zuur maken.

Adipocyten

Cellen die de lipiden opslaan en het vet van het lichaam vormen.

Abdominale obesitas (of Androïde obesitas)

Zeer lokale, omvangrijke zwaarlijvigheid ter hoogte van de buik. Het vet nestelt zich rond de darmen, in de buik, en geeft een appelvormig silhouet.

Atheroomplaque

Een harde plaque die voornamelijk uit cholesterol bestaat en zich op een slagaderwand afzet. De plaque verstopt het bloedvat en belemmert de doorstroming van het bloed.

Auto-immuunziekte

Ziekte als gevolg van een aantasting van het immuunsysteem, dat zich tegen het lichaam keert.

Blindheid

Verlies van het gezichtsvermogen.

Capillaire glykemie

Meting van de glykemie met behulp van een prikpen. Na een prikje in de vingertop brengt men een druppel bloed op een teststrip aan en kan men met een glykemielezer de bloedsuikerspiegel meten.

Cardiovasculaire ziekte (of hart- en vaatziekte)

Aandoening van het hart en de bloedsomloop.

Cataract

Oogaandoening die het kristallichaam opaak maakt.

Cerebrovasculair accident

Een cerebrovasculair accident of beroerte kan te wijten zijn aan de verstopping van of een scheurtje in een bloedvat in de hersenen, zodat een gedeelte van de hersenen tijdelijk of permanent een zuurstoftekort heeft.

Cholesterol

Een lipide dat onontbeerlijk is voor de goede werking van het organisme.
Het lichaam gebruikt cholesterol voor de vorming van galzouten, die onmisbaar zijn om de lipiden die we eten te verteren, en voor de vorming van hormonen en vitamines.

Corticoïden

Hormonen die de mens van nature produceert. Ze spelen een rol in de omzetting van vooral proteïnen en gluciden, de water- en zouthuishouding van het lichaam en de ontwikkeling van de geslachtskenmerken.

Darmflora

Het geheel van de bacteriën die de darmen bevolken

Diabetische voet

Aandoening van de voet, met gevoelloosheid, plaatselijke wondjes en een aantasting van de slagaders die ervoor zorgt dat de wondjes moeilijk genezen. Dit is een van de verwikkelingen op lange termijn van diabetes, na de aantasting van de zenuwen.

Eelt

Verharding van de huid, meestal ter hoogte van de handen en de voeten, soms ook ter hoogte van de knieën.

Episiotomie

Chirurgische ingreep bestaande uit het inknippen van het perineum om de bevalling te vergemakkelijken.

Enkelvoudig onverzadigde vetzuren (of enkelvoudig onverzadigde vetten)

Deze voornamelijk plantaardige vetzuren worden alleen door de voeding geleverd. Olijfolie, koolzaadolie en arachideolie zijn er erg rijk aan. Deze vetzuren spelen een rol in de afbraak van cholesterol.

Essentiële vetzuren

Vetzuren die het lichaam zelf niet kan produceren: het moet ze via de voeding ontvangen.
De belangrijkste essentiële vetzuren zijn:
– alfa-linoleenzuur, dat in bepaalde soorten plantaardige olie voorkomt (zonnebloem-, koolzaad- en olijfolie). Dit is een vetzuur van de omega 3-groep.
– linolzuur, dat in granen aanwezig is. Het maakt deel uit van de omega 6-groep.

Flebitis

Aderontsteking die zich meestal uit in pijn, een plaatselijk gevoel van warmte, een zwelling van het been (oedeem) of een min of meer sterke pijn in de kuit (vooral wanneer de enkel wordt gebogen). Flebitis is te wijten aan een bloedprop die de ader volledig of gedeeltelijk blokkeert.

Fructose

Een enkelvoudige suiker die vooral in fruit en honing voorkomt.

Geglycoliseerde hemoglobine

Het gedeelte van de hemoglobine dat glucose vasthoudt (glucose is de suiker in het bloed). De dosering geglycoliseerde hemoglobine moet om de drie tot vier maanden gemeten worden. Ze geeft een indicatie van de gemiddelde bloedsuikerspiegel in die periode.

Geprovoceerde hyperglykemie

Een test die de glykemie twee uur na het innemen van een welbepaalde hoeveelheid glucose meet. Op die manier kan men met name een zwangerschapsdiabetes opsporen.

Gingivitis

Ontsteking van het tandvlees.

Glaucoom

Een oogaandoening die gekenmerkt wordt door de verhoging van de bloeddruk in het oog.

Glucagon

Een hormoon dat door de pancreas afgescheiden wordt en de glykemie doet stijgen (hyperglykemisch hormoon).

Gluciden (suikers)

Er bestaan enkelvoudige en meervoudige of complexe suikers. Men noemt ze ook koolwaterstoffen.

Glucose

De belangrijkste energiebron voor de cellen van het organisme. Als brandstof van de cellen maakt glucose de werking van de spieren en organen mogelijk. Het lichaam verbruikt ze heel de dag, afhankelijk van zijn behoeften.

Glykemie

Bloedsuikerspiegel, dus de hoeveelheid suiker in het bloed. De glykemie wordt uitgedrukt in gram per liter (g/l) of millimol per liter (mmol/l).

Glykemische index

Een percentage dat overeenkomt met de snelheid en de omvang waarmee een voedsel de bloedsuikerspiegel (glykemie) doet stijgen. Het is een uitdrukking van de voedingswaarde van een product. De referentie is glucose: ze heeft een glykemische index van 100%.

Gynoïde obesitas

Zeer lokale, omvangrijke zwaarlijvigheid ter hoogte van de heupen, de billen en de dijen. Geeft een peervormig silhouet.

HDL-cholesterol (of goede cholesterol)

Lipiden die door de zogenaamde HDL-proteïnen worden vervoerd. Deze proteïnen nemen de overtollige cholesterol op en brengen hem naar de lever, waar hij wordt verwerkt, afgebroken of gerecycleerd. Deze positieve werking verlaagt de hoeveelheid cholesterol die zich in de slagaders kan afzetten. Daarom beschermt “goede” cholesterol tegen cardiovasculaire ziekten. Zie ook cholesterol.

Hemoglobine

Een eiwit dat voorkomt in de rode bloedlichaampjes en dat het bloed zijn kleur geeft. Hemoglobine brengt zuurstof van de longen naar de cellen van het lichaam. Rode bloedlichaampjes hebben een levensduur van 4 maanden.

Hormoon

Een stof die door een klier in het lichaam wordt afgescheiden, vervolgens door het bloed wordt vervoerd en de werking van een orgaan kan beïnvloeden.

Hyperglykemie

Abnormaal hoge bloedsuikerspiegel.

Hypertensie

Een bloeddruk van meer dan 140/90 (of 130/80 bij diabetespatiënten). In principe stelt men de diagnose wanneer drie reeksen metingen op verschillende tijdstippen te hoge waarden opleveren.

Hypocalorisch

Levert een geringe inbreng van energie.

Hypoglykemie

Daling van de bloedsuikerspiegel onder het peil dat nodig is opdat het lichaam goed zou kunnen functioneren. Bij een volwassene spreekt men van hypoglykemie als de bloedsuikerspiegel lager is dan 0,70 g/l.

Infarct

De vernietiging van een gedeelte van de hartspier als gevolg van de verstopping van een slagader. De geblokkeerde slagader kan dat deel van het hart niet langer van bloed voorzien.

Insuline

Een hypoglykemisch hormoon dat in de spijsvertering door de pancreas wordt afgescheiden. Het hormoon doet de bloedsuikerspiegel dalen door glucose in de cellen te laten dringen. Insuline wordt afgescheiden wanneer de bloedsuikerspiegel stijgt. Als hij daalt, wordt er minder insuline geproduceerd.

LDL-cholesterol (slechte cholesterol)

Lipiden die door de LDL-proteïnen worden vervoerd. Als het bloed te veel LDL-cholesterol bevat, hebben de lipiden de neiging om zich in de slagaders af te zetten en ze te verstoppen, zodat het risico van een cardiovasculaire ziekte toeneemt.

Lipiden

Vetten die in de voeding voorkomen. Ze vormen een energievoorraad.

Meervoudig onverzadigde vetzuren (of meervoudig onverzadigde vetten)

Vetten met vooral plantaardige herkomst, die uitsluitend door de voeding worden geleverd. Ze komen vooral voor in:
• Plantaardige olie, zoals soja-, noten- of zonnebloemolie.
• Vis en zeedieren. Zij leveren vooral vetzuren van de omega 3-groep.
• Zeevruchten (let op, ze bevatten veel cholesterol).

Niet-essentiële vetzuren

Vetzuren die het organisme zelf kan produceren.

Naleving

Het volgen door de patiënt van de voorschriften van de arts.

Natrium (zout)

Een mineraal dat in heel het lichaam aanwezig is en een rol speelt in veel fysiologische processen. Natrium is belangrijk voor de vochthuishouding van het lichaam en voor de bloeddruk. Het is belangrijk voor de preventie van cardiovasculaire ziekten, wanneer de gemiddelde dosis in de voeding niet meer dan 6 gram per dag bedraagt. Wie aan hypertensie lijdt, eet best minder zout.

Neuropathie

Elke zenuwaandoening.

Onderste ledematen

Medische term voor de heupen, de dijen, de benen en de voeten.

Oogbodem

Een pijnloos onderzoek, zonder chirurgie, waarbij de oogarts de slagadertjes in de bodem van het oog inspecteert. Het onderzoek kan de gevolgen van diabetes voor de bloedvaatjes in een zeer vroeg stadium detecteren.

Organoleptisch

Wat te maken heeft met de zintuigen (smaak, geur…).

Proteïnen (eiwitten)

Uit aminozuren samengestelde moleculen. Sommige proteïnen worden essentieel of onmisbaar genoemd, wat betekent dat het organisme ze niet zelf aanmaakt en ze alleen uit de voeding kan ontvangen.
Men maakt een onderscheid tussen:
– Dierlijke proteïnen, die meer aminozuren en vooral meer essentiële aminozuren leveren. Anderzijds bevatten ze vaak veel vetten. Wanneer men er veel van eet, wordt het gevaar op cardiovasculaire ziekten groter.
– Plantaardige eiwitten dragen bij tot de inbreng van vezels; ze moeten de helft van de eiwitten uit de voeding vertegenwoordigen.

Parodontopathie

Elke aandoening van de steunweefsels van de tanden (tandvlees, kaakbeen, wortels).

Pericarditis

Ontsteking van het hartzakje of pericardium, het vlies dat het hart omgeeft.

Postprandiale glykemie

De na een maaltijd gemeten glykemie.

Retinopathie

Elke aandoening van het netvlies.

Slagaders

Bloedvaten (“buisjes”) die het bloed van het hart naar de weefsels van het organisme brengen.

Snelle suikers (of Enkelvoudige suikers)

Dit zijn suikers die snel door het lichaam opgenomen en verbruikt worden. Ze doen de bloedsuikerspiegel (glykemie) snel stijgen.

Tandvleesflora

Het geheel van de bacteriën die het tandvlees bevolken.

Trage suikers (of complexe suikers)

Men noemt ze traag omdat ze langzamer dan enkelvoudige suikers door het lichaam worden opgenomen. De stijging van de bloedsuikerspiegel (glykemie) verloopt daardoor geleidelijker.

Triglyceriden

Lipiden die in de dunne darm worden gevormd, op basis van de vetten uit onze voeding. Ze worden ook in de lever aangemaakt. De triglyceriden nemen toe wanneer we veel vetten en suikers eten. Hun productie wordt ook bevorderd door diabetes, overdreven alcoholgebruik of een teveel aan buikvet.

Trombose

Verstopping van een ader of slagader door een bloedprop, een zogenaamde trombus.

Verzwering

Aandoening van de huid of de slijmvliezen.

Verzadigde vetzuren (of verzadigde vetten)

Vetten met vooral dierlijke herkomst: vet vlees (zoals schaap), vleeswaren enz. Ze komen ook voor in boter en kaas.
In het kader van een evenwichtige voeding is het aanbevolen om er slechts kleine hoeveelheden van te verbruiken.

Vetweefsel

Het geheel van de adipocyten, de cellen die lipiden (vetten) opslaan.

Voedingsvezels

Voedselbestanddelen die de darmtransit beïnvloeden. De vezels vertragen de transit en beperken de opname van glucose. Ze doen de glykemische index dus dalen. Ze bevatten weinig calorieën en komen vooral voor in fruit en groente.

Zetmeelhoudend voedsel (trage suiker)

Plantaardige producten die veel zetmeel bevatten, zoals aardappelen, granen en peulvruchten (linzen, bonen..).

Zwangerschapshypertensie

Hoge bloeddruk bij de zwangere vrouw.

gerelateerd